Jaarverslag 2006
1. Een inleidend woord
‘Aardig’ een ondergewaardeerde eigenschap in het openbaar bestuur
Een overpeinzing na twee jaar functioneren in het ambt van Ombudsman
In het boek ‘Zien is genoeg’ bespreekt Henk van Os, oud-directeur van het Rijksmuseum Amsterdam het beroemde schilderij in het Palazzo Pubblico van Siena, gewijd aan het ‘Goede Bestuur’. Opeenvolgende stadsbesturen, zo schrijft hij, investeerden veel geld in leuke, bindende zaken voor de stad zonder enig aanwijsbaar economisch doel. Het stadsbestuur zocht de kracht van de stad in de bevordering van de kunst, de wetenschap en de schoonheid van de stad, de aandacht voor de levensbeschouwelijke ondersteuning van burgers en niet te vergeten in het in organiseren van het gevoel van saamhorigheid met spelen als de Palio.
Iedereen die de Palio – de paardenrace die al ruim zeven eeuwen op het grote plein van Siena wordt gehouden - wel eens in het echt of op de televisie heeft gezien, kan zich daarbij wat voorstellen. En juist die zaken die zonder enig direct economisch nut zijn opgezet, hebben de tand des tijds doorstaan en dragen tot op de dag van vandaag, hoe ironisch, bij aan de economie van de stad. Ze trekken bezoekers uit de hele wereld. Ze geven Siena een plek op de kaart en misschien belangrijker nog, in het hart van veel mensen, niet in het minst de eigen inwoners.
Uitgangspunt voor die stadsbesturen van weleer was de klassieke overtuiging dat elk bestuur het volk krijgt dat het verdient. Cicero zei het al: “elke staat is zoals het karakter van de bestuurders hem zal maken”. Ofwel goed voorbeeld doet goed volgen. Van Os houdt in zijn boek een pleidooi voor burgerschap, beginnend bij een overheid waar de burger trots op is zodat de burger de overheid wil dienen.
Een goed voorbeeld geven. Dat zal een bestuur dat burgerschap wil bevorderen: een prettige wijze van samenleven tussen mensen ook als dat niet altijd gemakkelijk is en vanzelf gaat, als leidraad voor de eigen handelwijze moeten nemen.
Daarom heb ik in de afgelopen periode meer dan eens in mijn aanbevelingen een pleidooi gehouden voor een ‘aardig gebaar’. Niet als de uitkomst van een optelsom van gemaakte fouten, waarbij de burger (na een bepaald getal) recht blijkt te hebben op zoiets als een cadeaubon. Nee, ik bedoel dan een oprecht gebaar van medeleven, van spijt; een blijk van vrijgevigheid in de goede zin van het woord.
‘Aardig’ is een ondergewaardeerde eigenschap in het openbaar bestuur, staat bovenaan dit stukje. Als van een bestuurder wordt gezegd dat hij aardig, of erger nog té aardig is, wordt dat meestal niet als compliment bedoeld. Juist de overheid zou, in het licht van de ervaringen in Siena, aardig zijn niet als een zwakte maar als een blijk van sterkte moeten zien: als een blijk van respect en burgerzin. Hoe kan men anders van burgers goed burgerschap vragen?
Ik pleit niet voor het opheffen van begrippen als recht en plicht noch voor zwakheid waar ferm gedrag vereist is. Ik pleit voor de juiste toon op het juiste moment. Neem de Joodse fabriekseigenaar die zich bij het leiden van zijn organisatie had laten inspireren door begrippen als compassie en vrijgevigheid in plaats van organiseren en reorganiseren .Toen het er in de Tweede Wereldoorlog op aankwam, bracht hij het er met hulp van zijn medewerkers levend af, zo leert het verhaal van Amos Oz in het boek ‘Het verhaal van liefde en duisternis’. Zijn fabriek kon hij na de oorlog voortzetten.
‘Aardig’ zijn raakt mensen in hun onderlinge relatie en in hun relatie met de overheid misschien wel dieper dan we denken.
Met deze gedachten in het achterhoofd vervul ik mijn functie sinds twee jaar. Aardig als het even kan voor burgers, ambtenaren en bestuurders, met compassie voor de situatie waarin zij zich kunnen bevinden. Dit heeft uiteraard zijn grens daar waar aardigheid verspilde moeite blijkt, misbruikt wordt en dus een averechts effect heeft.
Tot op heden heeft mijn benadering zijn waarde getoond. Zonder op de trom te hoeven roffelen werden verkeerde beslissingen teruggedraaid, excuses gemaakt of werd een bloemetje gestuurd. Ook op het weerbarstige terrein van de wet Voorzieningen Gehandicapten heeft het gemeentebestuur zonder enige tegenwerping erkend, dat het roer dringend om moest en heeft het college de handschoen opgepakt. Daar is geen persbericht aan te pas gekomen. Ik ben daar trots op. Het is tenslotte het resultaat dat telt.
Deze benadering draagt wel een gevaar in zich, namelijk dat veel wat bereikt is op het eerste gezicht onzichtbaar blijft. Burgers denken dan misschien dat de ombudsman hun klachten niet serieus zal nemen. Ze lezen of horen immers nooit iets. Of dat gevaar reëel is, zal nog moeten blijken. Ik ben er niet zo bang voor. Resultaten en positieve ervaringen vertellen zich immers rond en het jaarverslag van de Ombudsman biedt, voor wie het wil lezen, inzicht in welke zaken aangepakt zijn en wat er bereikt is. Mijn functie biedt bovendien voldoende mogelijkheden om andere methoden te hanteren áls dat zou moeten. Vooralsnog heb ik liever dat ik met aardig zijn effect bereik.

